Tussen beleving en verbeelding.
Steden in een spanningsveld, 1800-1914.

9-11 maart 2011, Radboud Universiteit Nijmegen

Abstracts

Daniel Acke
Bruxelles rigole (1883) van Henri Nizet: demystificatie van de urbane genotscultuur en utopie van het natuurlijke leven

De roman Bruxelles rigole (1883) van Henri Nizet, illustreert treffend de mentale “verwarring” voortvloeiend uit de snel veranderende steden in de loop van de negentiende eeuw. De vier thema’s (“spanningsassen”) die centraal staan op het colloquium vindt men terug in de roman:
1. De spanning tussen de stad als een plaats van arbeid en de stad als een plaats van ontspanning. De roman beschrijft op een gedetailleerde wijze verschillende oorden van plezier in Brussel, maar het is ook in dit milieu dat één van de hoofdpersonnages (Bianca-Emma) werkzaam is. Er bestaat bovendien bij de hoofdpersonnages een spanning tussen de drang naar plezier en luxe en de aspiratie naar een eenvoudig leven.
2. De spanning tussen de publieke sfeer en de privésfeer. De roman beschrijft gedetailleerd de plaatsen van vermaak, maar het appartement van Bianca en Michel, waar vrienden van de “colonie exotique” op bezoek komen om plezier te maken, is daarom ook een publieke ruimte.
3. De tegenstelling tussen mobiliteit en stilstand. De roman alludeert op urbanistische omwentelingen; bovendien zijn de hoofdpersonnages voor het overgrote deel ontwortelde buitenlanders die in Brussel in het cosmopolisische milieu vertoeven.
4. De oppositie tussen regulering en (ongecontroleerde groei). De roman neemt de veranderingen in de moderne stad in rekening; er is ook ontegensprekelijk bij de hoofdpersonnages een nostalgie naar de puurheid van de natuur, die beleefd wordt via wat Nizet de “nature urbanisée” noemt.

Wij wensen aandacht de besteden aan deze vier thema’s, maar meer specifiek in te gaan op twee eng verbonden aspecten: de demystificatie van de schijn van de genotscultuur van de stad en de permanentie van de utopie van het natuurlijke leven.

Anneleen Arnout
Locatie en spektakel. Het veilingwezen in negentiende-eeuws Brussel

Vertrekkende van de spanningsas tussen de stad als plaats van arbeid en de stad als plaats van ontspanning, stel ik een paper voor die zich toespitst op één speler in dit spanningsveld: het veilinghuis. De openbare verkoop, in essentie een commerciële transactie, groeide doorheen de negentiende eeuw steeds meer uit tot sociaal en cultureel evenement. Deze ontwikkeling wordt voor Brussel onderzocht aan de hand van een methodologische confrontatie tussen een sociaal-geografische en een cultuurhistorische analyse.

Het ruimtelijk reconstrueren en analyseren van de locatiepatronen van veilinghuizen leidt tot een concreter inzicht in het functioneren van deze instellingen in het geheel van de zich ontwikkelende stedelijke functies. Tijdens de late achttiende eeuw was de gespecialiseerde kunstveiling ontstaan uit het eeuwenoude gebruik van boedelverkopen. Terwijl tweedehandse spullen een negatieve bijklank kregen van oud en dus minderwaardig, werd een kleine groep consumptiegoederen precies verzameld omdat hun ouderdom hen patina verleende. Die specialisering vertaalde zich ruimtelijk. Oudkleerkopers werden met hun minderwaardige spullen verbannen naar de armoedige delen van de stad, terwijl de collectables verkocht werden in veilingzalen in rijkere commerciële en artistieke wijken. In het up-market veilinghuis raakte economische logica verweven met de negentiende-eeuwse spektakelcultuur. Bourgeois amateurs genoten er van het theater van het opbod. Om na te gaan welke wisselwerking de specifieke vestigingspatronen hadden met de cultuur die veilingen vorm gaf, wordt ook de culturele praktijk en het discours van de Brusselse veilinghuizen geanalyseerd. Als locus voor burgerlijk vertier biedt het veilinghuis een inkijk in de negentiende-eeuwse stedelijke cultuur en in het bijzonder in de interactie van de verschillende stedelijke functies.

Charlotte Ashby
The Viennese Café and Modern City Life

I would like to give a paper on the Viennese café of the fin-de-siècle and its role as a site for the negotiation of new forms of urban modernity. Situated throughout the city, cafés were a deeply embedded part of Viennese culture. Their importance as spaces rests on the flexibility of the experience they offered. Located between the public and the private, the home and the street, cafés were simultaneously refuges from the pressures of the modern city and key sites for engagement with modernity. Unlike the Parisian café, which is oriented towards the street and arranged to facilitate patrons observation of and participation in the spectacle of modern city life, the Viennese café has a more ambivalent relationship with the city. Viennese café design allows patrons to choose how visible they are from the street and to their fellow patrons by means of curtains, secluded booths and multiple chambers.

Cafés played a vital role in the functioning of city life in Vienna as hubs for communication and cultural exchange. National and international newspapers, periodicals and the telephone were available there and different cafés were associated with different professions, interest groups and communities, allowing new-comers to the rapidly growing city to establish connections with like-minded individuals. The social mores that identified the café as a place of idleness paradoxically enhanced their effectiveness as sites of exchange, as the perceived inconsequential nature of café life permitted a relaxation of strict rules regarding the maintenance of status and social propriety. The café was not a serious place and this lack of seriousness liberated the creative minds who met there and aided the iconoclasm of the new paths of modernism being developed in Vienna at this time.

Claudia Bouliane
Circumventing Censorship: The New Paris seen from Guernesey

Between 1853 and 1870, many areas of Paris were destroyed to allow the establishment of new avenues by Baron Haussmann. For seventeen years, the Parisians have lived within the debris generated by the renovations. Their lives were disrupted by an unprecedented change in the urban environment. These major works have struck the imaginary and became an object of fascination for literature.

Exiled as a result of his opposition to the coup d'etat orchestrated by Louis-Napoleon Bonarparte, Victor Hugo was not present on site. Although physically distant from "the hometown of his mind," the author, who has gained a literary stranglehold on the French capital since the publication of Notre-Dame de Paris, is aware of its changes and remains in constant dialogue with the social discourse of his time. Two of his exile writings which had the most powerful impact on his contemporaries have Paris for main subject but seem at first glance to slight its transformations: Les Misérables takes place during the July Monarchy, but contains multiple allusions to the Paris of 1862; in Paris, originally a preface to the book published on the occasion of the International Exposition of 1867, Paris-Guide, the actual city constantly emerges between utopian prefigurations and historical commemorations.

This communication proposes to explore this mode of writing in which the expression of the contemporary city requires detours through the past and the future. This scriptural technique can be explained partly by the censors, whose severity had increased under Napoleon III. But it can also find its meaning in a larger literary project: with these diversion processes, Hugo helps to rebuild Paris as a controversial city, progressive and revolutionary, breaking with years of hegemony of the Bonapartist doxa.

Adelheid Ceulemans

In mijn lezing concentreer ik me zowel op plaatsen van ontspanning binnen de stad als op ontspanningsoorden buiten de stad. Ik doe dat aan de hand van het oeuvre van Theodoor Van Ryswyck (1811-1849), de Antwerpse ‘volksdichter’ bij uitstek. Vele van zijn gedichten (bijvoorbeeld Antigonus, of De volksklagten) zijn verankerd in een lokale, Antwerpse omgeving. Zijn oeuvre leent zich dan ook erg goed tot de studie van de beeldvorming van stedelijke plaatsen in de negentiende-eeuwse literatuur.

Het Zwart Peerd, De Faem of Het Roosken zijn ‘staminees’ in Antwerpen-stad. De rol van dergelijke public spheres in de opgang van de Vlaamse Beweging en in de ontwikkeling van de Vlaams-Belgische literatuur is niet te onderschatten. Vele eerstelingen van die literatuur werden daar voor het eerst voorgelezen. Buiten de stad waren er verschillende ‘uitspanningen’ zoals Longchamps (Berchem/stadspark) of De koning van Spanje (Borgerhout). In Deurne waren zowel de herberg De Ekster (Op ’t Eksterlaer) als de Gallifortruïne geliefkoosde trekpleisters voor kunstenaars en schrijvers. De ruïne staat centraal in Van Ryswycks ballade ‘Gallifort’ uit de bundel Balladen (1843) en in het ongepubliceerde gedicht ‘Gallifort’s kasteel’. De Gallifortruïne werd eveneens afgebeeld in gedichten van onder meer De Laet, Van Beers, De la Montagne en Eekhoud. Het thema kan teruggaan op een native story, maar vertoont evenzeer gelijkenissen met internationale literaire themata en topoi. De sfeer in Antwerpse stadskroegen wordt weergegeven in Van Ryswycks gedichten ‘De smulbroeders’, ‘De bierdrinkers’, ‘Schiedammerlied’ en ‘Champagne dronk’, opgenomen in Volksliedjes (1846). Aan de hand van deze case study en secundaire literatuur met betrekking tot de literaire beeldvorming en voorstelling van de stad wordt de tegenstelling tussen de stad en de gebieden buiten de stad uitgewerkt.

‘Gallifort’ sluit aan bij de romantische literaire traditie, zowel wat thematiek (ruïne, terugkeer naar het verleden, griezelverhaal, fantasie), als wat de negentiende-eeuwse cultuurhistorische achtergrond (wegtrekken uit de stad op zoek naar rust en inspiratie) betreft. De caféliedjes voldoen in veel mindere mate aan de romantische beeldvorming van de stad. In Van Ryswycks stadsbeeld zijn geen sporen te vinden van romantische aliënatie, maar integendeel van integratie. De dichter verwerkt stedelijke aspecten op een positieve manier in zijn oeuvre, in sommige gedichten bij wijze van amusement. Toont Van Ryswyck zich in deze gedichten als een intellectuele en kunstzinnige caféganger of is hij inderdaad een volksdichter die het volkse amusement thematiseert? De stad noopt Van Ryswyck in ieder geval niet tot vervreemding (Baudelaire), noch tot intellectualisering (Benjamin). De negentiende-eeuwse processen van natie- en identiteitsvorming zijn daar niet vreemd aan. Via lokale, vaak volkse verhaalelementen werd geappelleerd aan een lokale identiteit, waarop in tweede instantie een nationale identiteit werd geënt. Het lokale identiteitsaanvoelen bleef lange tijd veel sterker dan het prille Vlaams-nationale identiteitsbesef. Aan het begin van de negentiende eeuw werd aldus een Vlaamse subnationale identiteit discursief geconstrueerd door deze te koppelen aan de gekende en doorleefde lokale identiteit. Gekende of herkenbare plaatsen speelden in die identiteitsopbouw een belangrijke rol.

Birgit Cleppe
The Stratification of Nature in the Dierentuinwijk of Ghent.
A park and a sewer as two poles of development in a new quarter for the city.

In 1905 the city-engineer Victor Compijn presents the project for the allotment of the ‘Muinkmeersen’, partly on the grounds of the former zoological garden of Ghent. He structures the residential areas around two components. In the north we find a square, the ‘Muinkpark’, that is in fact a small remnant of the zoological garden. In the south, the Oude Schelde is being filled up and substituted by a sewer. There, Compijn plans a star-shaped street pattern that consists of two diagonal streets and one central north-south oriented axis that connects the square with the junction of the southern streets. With the filling up of the Oude Schelde, the last testimony of the former ‘natural’ hydrography of the Muinkmeersen had disappeared. Or not entirely, for the ‘course’ of the Tentoonstellingslaan – one of the two diagonal streets in the south – almost completely equals that of the filled up branch of the Schelde.

Networked infrastructures for sewerage and drinking water are generally accepted as catalysts of urban mobility. However, like zoological gardens and municipal parks, these networks can also be understood as urban constructs of nature. Each in its own way, they display the ambition to canalize nature in a concentrated and systematical way in order to give shape to a severely controlled urban landscape. By exhibiting its gratifying components in zoological gardens, public parks, and the conscious planting of avenues on the one hand, and by hiding and diverting its disagreeable properties underground on the other, nature is being deliberately stratified into a visible and an invisible pole. In the case of the Dierentuinwijk these two poles are explicitly deployed to give shape and meaning to a newly built part of the city.

During the Belle Epoque, city engineers, urban planners and theorists were particularly concerned about a rather ‘picturesque’ approach, where the presence of nature was manipulated in order to intensify the experience of the city. Many among them were present at the Premier Congrès International et Exposition Comparé des Villes, held in Ghent in 1913. Lectures were held by Raymond Unwin, Charles Buls, Joseph Stübben, Louis Vander Swaelmen, and also by engineer A. Soenen who had formerly collaborated with Compijn, drawing a plan that indicated the vaulted and filled up waterways of Ghent. Through the specific case of the Compijn project for the Dierentuinwijk of Ghent, this paper intends to examine whether the implementation of underground infrastructures can be read as an equivalent counterpart of other constructs of nature in the city, such as municipal parks and planted avenues. It questions to what extent the filtering away of nature – especially waterways – is applied as a means of manipulation of nature and the urban landscape. Therefore, the paper will not only discuss the project of Victor Compijn, but will also confront it with the general discourses of the picturesque-minded contemporaries of Compijn at the time.

Ronny De Meyer
Antwerpen-Zuid, het verborgen traktaat

Op de plaats van de zestiende eeuwse Zuidercitadel te Antwerpen ontwikkelt zich in 1875 een nieuwe stadswijk. Het terrein, 108 hectaren tabula rasa, wordt vooruitstrevend ingericht met straten en openbare voorzieningen. Initiatief, of financieel risico, hiertoe wordt genomen door een associatie van het Antwerpse stadsbestuur en de Compagnie Immobilière de Belgique. Deze waakt over het tot stand komen van de wijk en de vorm van het stratenplan. Het geometrische tracé is typisch voor de 19de eeuw stervormig maar geeft ook de inplanting van geplande publieke gebouwen en voorzieningen aan: een spoorwegstation, Scheldekaaien en -brug, schippersdokken, een centraal gelegen plein met museum voor schone kunsten, kruispunten met monumenten. Nauwgezet wordt toegezien op de opdeling van de bouwblokken in percelen en over de gebouwen en hun bestemming, in het bijzonder de voorgevels die langsheen de straten opgetrokken worden.

In een lectuur van bronnenmateriaal over de periode 1875 tot 1890 wordt gepoogd het ontbrekende of verdwenen traktaat dat aan ontwerp en realisatie van deze wijk ten grondslag lag te reconstrueren. Dit traktaat was niet als tekstueel bronnenmateriaal beschikbaar; het diende minutieus gereconstrueerd tussen de regels van het grafische materiaal, summiere correspondentie, kadastergegevens, bevolkingsgegevens, wijkpolitieverslagen; het in die periode opstartende ambtelijke tekstuele apparaat.

Niettegenstaande de wijk opgedeeld wordt in een woonzone en een plaats van arbeid, strategisch gelegen is aan de rand van de stad als transitgebied van en naar spoorwegstation, schippersdokken, Schelde en brug, blijft succes uit. De braakliggende terreinen maken dat er in 1885 en 1894 nog een wereldtentoonstelling kan worden ingericht.

Brecht Deseure
‘Den ouden luijster is verdwenen’. Beleving van de Antwerpse stedelijke ruimte bij Jan Baptist Van der Straelen.

De kroniek of het dagverhaal, een miskend genre dat zich situeert tussen egodocument en geschiedschrijving, biedt verrassende inzichten in sociale en culturele aspecten van stedelijkheid en stedelijke identiteit aan het begin van de nieuwste tijd. In deze bijdrage wordt de Kronijk van Antwerpen, van de hand van de lokale antiquarische historicus Jan Baptist Van der Straelen, gebruikt om aan te tonen hoe de omwentelingen van de Franse periode leidden tot een omslag in de omgang met de stad als fysieke ruimte aan het begin van de negentiende eeuw. Voor een behoudsgezind en sociaal prominent aanhanger van het oude regime als Van der Straelen werd de maatschappelijke orde die hij voorstond niet enkel door landswetten, politieke privileges en rechterlijke instellingen gegarandeerd, maar vond zij ook haar uitdrukking in de bebouwde omgeving van de stad. In haar veelvormige en gelaagde gedaante bood deze de incarnatie van eeuwen stedelijke geschiedenis. De door Van der Straelen nefast geachte omwentelingen in de maatschappij en het staatsapparaat ten gevolge van de aanhechting van de Zuidelijke Nederlanden bij het revolutionaire Frankrijk, weerspiegelden zich in de dramatische transformatie van het stadsbeeld. Ideologisch gemotiveerde afbraakwerken en grootschalige infrastructuurprojecten hadden de verdwijning van heel wat visueel prominente gebouwen, symbolische betekenisdragers en vertrouwde elementen uit de publieke ruimte tot gevolg. Het complexe web van betekenissen en connotaties dat de stad in haar historisch gegroeide vorm te zien gaf, viel zienderogen uiteen. De Kronijk illustreert hoe deze ontwikkeling aanleiding gaf tot ontreddering en vervreemding bij Van der Straelen en zijn standgenoten. De stedelijke ruimte bood steeds minder aanknopingspunten voor hun stedelijke en sociale identiteit. Het verdwijnen van als historisch en architecturaal waardevol ervaren gebouwen leidde bovendien tot een pijnlijke verlieservaring. Het aanbreken van de nieuwe eeuw ging met andere woorden gepaard van een grondige hertekening van de leesbaarheid en daarmee verbonden beleving van de stad, ruim vóór de technologische en demografische transformaties die later het aangezicht van de steden zo ingrijpend zou wijzigen.

Alexander Eisenschmidt
The Pleasure of Shopping and other Misdeeds: Wertheim’s Pandemonium of Traffic and Goods

In order to address the shift within metropolitan experience at the late nineteenth and early twentieth century, this paper revisits the space of the department store as it was designed by architect Alfred Messel and theorized by art and architectural critic Karl Scheffler. Thematizing the metropolis and negotiating the tension between metropolitan society and urban community, both figures outlined a vision of the department store that joined pleasure with business.

Messel’s design for the famous Wertheim department store from 1897 to 1906 created a transient, theatrical, and fantastic experience of shopping. As one of the largest stores in Europe, it echoed the spatial complexity and reflectivity of the modern city and created a new building type that represented the society’s demand for commercial products. Fascinated by this architecture, Scheffler wrote numerous times about Messel and linked his architecture to the modern city. In 1908, for example, Scheffler wrote “Das Geschäftshaus: Der Architect Alfred Messel (The Department Store: Its Architect Alfred Messel)”, in 1910 he published Berlin – Ein Stadtschicksal (Berlin – Destiny of a City), and in 1913 he identified Wertheim as an Architektur der Großstadt (Metropolitan Architecture).

The department store was here understood as a prime example that simultaneously drew from and created the metropolis. In fact, it became a city in itself. Unprecedented for its time, Wertheim offered a roof-garden “for relaxation,” a library, an art gallery, a tourist information center, a photo studio, a theater ticket agency, and several restaurants. Here the metropolitan individual would, yet again, feel at home. Eventually, the department store surpassed the metropolis: in 1912, the Berlin Guide for Connoisseurs notes, all visitors should go to Wertheim, where one would “get one’s first taste of the tremendous whirl of city life.”

Anna Geurts
Travellers' use and experience of town spaces

The material world changed rapidly in the nineteenth century. It is a commonplace that people's ways of doing things, and their subsequent experiences, changed with it: that the 'natural dimensions of time and space' disappeared and people were increasingly in control over their personal life-world (Van der Woud). Did individuals indeed begin to organise their use of space in towns differently, and did their experiences change accordingly? Travellers to strange towns and cities inform us about these issues in their egodocuments. A selection of Dutch travel accounts from the 1820s and 1860s will be used to address some of the following questions: did experiences of homeliness ('huiselijkheid') change, for example as seen in tourists' reactions to hotel rooms? How did their wish for and satisfaction with privacy develop? Did people have a widening choice of manners to arrange their space, and a widening choice of places to go to? And in what ways did time, or approved ways of spending time, limit their options? Were space and time divided into different categories, such as for 'work' and 'leisure'? Did experiences of freedom of movement and distance change? Were these experiences gendered, assuming that the roles of women and men differed both in the home and in more (?) public areas of town? Did such experiences depend on other characteristics, such as age or occupation? This paper is part of an ongoing investigation of questions of individual power over personal space and time arrangements in the course of the long nineteenth century.

Mélanie Giraud
Les Misérables by Victor Hugo: And a River Runs Underneath It

When the visitor enters the bowels of the earth near the Alma Bridge in Paris, it is a strange and unknown world that he encounters. A dark, silent place where nothing is heard except echoes of the far-off sound of the foul water flowing there and tour guides recounting its history; the sewer seems to emerge from another world, swallowed up, forgotten, ageless. And yet, for this astonished visitor, a date situates it in History, with a capital “H”: 1862, the date not of the creation of the Paris sewer but of its rebirth, in a way, by means of its literary recognition: the date of the publication of Les Misérables. The first romantic hero to literally descend into the sewer, Jean Valjean serves as a pretext for Hugo to evoke a part of the Parisian underground neglected up till then by French literature.

In tracing the function of the Parisian sewer in its historical context, and the function of the muck or even the different kinds of muck that characterize it, I propose to examine the way in which the sewer becomes an essential literary place, a shelter or even a place of salvation for Jean Valjean, in the light of Rabelaisan theories about the grotesque, the ‘fertile depths,’ and more generally the regeneration as taken up by Mikhaïl Bakhtin in his critical work L'œuvre de François Rabelais et la culture populaire.

Jozef Glassée
Spaces of patronage. Municipal elites and Belgian fine arts museums (1800-1914).

During the long 19th century, the bourgeoisie bequeathed many valuable works of art to the fine arts museums of Antwerp, Bruges and Ghent. The generosity of local cultural elites transformed museum spaces and collections. Upon entering the museum as loans or donations, private goods left the sphere of private enjoyment and entered the public domain.

Central to this paper is the polyvalent character of the museum room. On the one hand, the bourgeoisie itself defined it as a public, objective space, accessible to the entire population of the respective cities and depicting a shared, glorious art canon. And yet, donations allowed the municipal bourgeoisie, at least in part, to claim this space as belonging to their own class, depicting their rise as a cultural elite. In appropriating the urban museum, however, the bourgeoisie excluded, whether intentionally or not, part of the city’s population.

In my paper, I’d like to elaborate on a number of ways in which the museum room gradually mirrored a city’s cultural elite. Portraits of members of the bourgeoisie that were bequeathed by relatives, for example, became part of a city’s collective memory, with the museum acting as its archive. Secondly, in donating or temporarily displaying (parts of) private collections in the museum space, the museum room mirrored the elite’s private sphere.

My paper will analyse the bourgeoisie’s appropriation of the municipal museum space and provide a context by focusing on its causes, investigating whether or not this process of segregation was copied in other parts of the city’s cultural infrastructure and to what extent it affected those who did not belong to the ruling class.

Evelien Jonckheere
‘Ontaarding’ in de stedelijke beleving: symptomen in het fin-de-siècle variététheater

Max Nordau omschreef in zijn boek ‘Entartung’ (1893) de gemoedstoestand van de stedeling in het fin-de-siècle als “een koortsachtige gejaagdheid, een doffe moedeloosheid, een bang voorgevoel van ondergaan, van uitdoven.”

Volgens Nordau nam het aantal zenuwzieken enorm toe in het fin-de-siècle. De meest algemene benaming voor zenuwaandoeningen in de negentiende eeuw was neurasthenie of zenuwuitputting. In deze ziekte lag de kiem van de ‘ontaarding’: éénmaal besmet met een zenuwziekte zou men gedoemd zijn tot degeneratie en uiteindelijk tot ‘ontaarding’ van een hele generatie.

Max Nordau zag als oorzaken van deze ‘ontaarding’ of degeneratie achtereenvolgens slechte voeding (o.m. overmatig alcoholverbruik), de stad met haar hoge bevolkingsdichtheid wat leidde tot moreel verval en tenslotte de versnelling van het moderne leven. Vervolgens beschreef Max Nordau hoe men kunstrichtingen als bijvoorbeeld mysticisme en symbolisme... kan lezen als ‘ontaardings-verschijnselen’.

In deze paper wordt onderzocht in welke mate ook het variététheater als ‘ontaardingsverschijnsel’ werd beschouwd door tijdsgenoten in het fin-de-siècle. In het variététheater waren immers alle symptomen van ontaarding aanwezig: drank, de massa, wellust en snelheid stonden er centraal. Anderzijds propageerde het variététheater een nieuwe gedisciplineerde lichaamscultus die als een belangrijke remedie net tegen de ontaarding voorgeschreven werd.

Het aftoetsen van het nieuwe stedelijke fenomeen variététheater aan het discours van de ‘ontaarding’ zoals ze door Nordau omschreven werd, helpt niet enkel om de dubbelzinnige publieksreceptie van het fenomeen beter te begrijpen maar ook om deze nieuwe spektakelvorm, namelijk een opeenvolging van korte en fragmentarische zenuwprikkelende acts, te contextualiseren.

Mary Kemperink
Openbaar en privé en de eindnegentiende-eeuwse stad in Nederland. Literatuur als historische bron

Een stad is een plaats waar per definitie veel mensen bij elkaar wonen. Aan de ene kant ontstaat door deze massaliteit een zekere anonimiteit: een mens verdwijnt in de massa. Aan de andere kant heerst er in een stad tegelijk een voortdurend, bijna lijfelijk, contact met de medemens: op straat, in theaters, cafés, warenhuizen, galeries, op de trappen van een appartementsgebouw. Je kunt continu gezien of benaderd worden door anderen, vreemden en bekenden.

In mijn lezing concentreer ik mij op de stadsbeleving en vooral op de manier waarop de stad het leven mede bepaalde, gerelateerd aan de noties ‘privé’ en ‘openbaar’. Hoe ‘privé’ was ‘privé’ als je in de grote stad woonde rond 1900? In de negentiende eeuw en zeker in de tweede helft daarvan, had de presentatie naar buiten toe een immens belang. En de stad activeerde nog eens de behoefte om in de ogen van de anderen iets voor te stellen, om vooral het decorum te bewaren. Dat gold eigenlijk voor alle standen, met uitzondering van de sociale randfiguren die zich in de onderlaag van de maatschappij bevonden.

Hoe men zich gedroeg in een Nederlandse negentiende-eeuwse grote stad, hoe men zich er voelde, hoe men met elkaar omging in het spanningsveld tussen openbaar en privé is lastig te achterhalen. Niettemin blijven het fascinerende vragen, niet in de laatste plaats voor architectuurhistorici. Die zouden graag willen weten hoe mensen zich gedroegen in de indertijd ontworpen stadsdelen en gebouwen, hoe deze ruimten hun everyday life mede bepaalden.

Maar hoe kom je daar achter? In mijn lezing concentreer ik mij op de literatuur – i.c. de eindnegentiende-eeuwse roman – als mogelijke bron. Het gaat mij daarbij in het bijzonder om de literaire presentatie van privé en openbaar en de spanning die daartussen heerst. Daarbij zal ik ingaan op de relatie van deze twee domeinen tot enerzijds de sociale stand van de stadsbewoners (hoog tegenover laag) en anderzijds hun sekse (man tegenover vrouw). Ik wil me daarbij niet zozeer en zeker niet in de eerste plaats richten op de expliciete stadsthematiek in de romans maar eerder de mogelijkheid verkennen om daarin het vanzelfsprekende alledaags gedrag in het spanningsveld tussen privé en openbaar te betrappen. Twee Nederlandse steden staan in mijn lezing centraal: Amsterdam, de bruisende hoofdstad en Den Haag, de representatieve residentie.

Merel Klein
Prachtige, hinderlijke bomen. De beleving van stadsnatuur in Amsterdam (1820-1850).

Al sinds de zeventiende eeuw waren de Amsterdamse grachten, pleinen en later ook de straten beplant met bomen. Daarmee vormde Amsterdam - samen met enkele andere Nederlandse steden - lang een uitzondering; buiten Nederland was de stedelijke publieke ruimte bijna altijd boomloos. Reizigers die Amsterdam aandeden verwonderden zich over het vele groen en waren vaak enthousiast: deze stad leek wel een bos met huizen.

Het doel van deze paper is inzicht te geven in hoe verschillende actoren in het Amsterdam van de eerste helft van de negentiende eeuw de stadsnatuur beleefden en waardeerden. Aan bod komen de ervaringen en visies van gewone burgers, de stedelijke autoriteiten, professionals zoals medici, en reizigers. Welke argumenten voerden zij aan voor hun kritiek op de bomen, of waarom waren ze juist zo ingenomen met het groen? Een analyse van de discussies, die stadsbestuur, burgers en soms ook medici voerden over de bomen, laat zien hoe de verschillende actoren in een proces van constante onderhandeling vorm gaven aan hun stedelijke omgeving.

Doordat de gewone burgers in traditionele historische bronnen haast geen stem krijgen, is het vaak moeilijk om inzicht te krijgen in hun percepties en ervaringen. De klachtenbrieven en rekesten die stedelingen van alle rangen en standen aan het stadsbestuur schreven, en waarin ze vaak onomwonden hun wensen en grieven uitten, bieden hier echter uitkomst. Deze paper confronteert dit nog haast onontgonnen materiaal met meer traditionele en bekende bronnen zoals overheidsrapporten, medische verhandelingen en reisverslagen.

Willemijne Linssen
Engineers’ writings on urban rehabilitation

Adolphe le Hardy de Beaulieu (1814-1894) was an active and engaged engineer who wrote about different matters including the urgent need for the rehabilitation of Brussels. This writing must be seen in the context of the early nineteenth century when engineers’ groups were seeking recognition through the publication-strategy, amongst others. Concerning the capital, the engineer was one of the social actors involved in the debate on redefining the urban city scape. In the mid-nineteenth century, one could no longer neglect the danger of the floods (e.g. in 1820, 1839) and the recurring cholera epidemics due to pollution. Both threats, together with the poor living conditions of the densely populated areas of downtown Brussels, offered a strong pretext to the intellectual elite to redefine the city.

This paper will not look at the executed project by architect Suys, but at the alternatives presented at the time instead. We are interested in the urban proposals by engineers – previous research describes rather than analyses the available documents – chiefly to gain insight in the professional profile and the worldview of this developing professional group. We will focus therefore on two specific genres: The first is the ‘project proposal’, an unknown and new type at that time. These texts have a dual character (complementarity of text and image) and an idiosyncratic, apologetic nature. Concerning the discussion of the rehabilitation of the Senne, a dozen of such publications can be retraced.

Better known in social history is the ‘pamphlet’; but to what extent does this particular kind fit in with the political pamphlet of the time, as to structure and vocabulary. The writing of Hardy de Beaulieu stands out so we would like to confront two of his publications, embedded in a context of other authors. It concerns Chemin de fer de la jonction directe des railways de l’état à Bruxelles and Station centrale à Bruxelles. Quelques considérations nouvelles et examen des divers projets proposées, both published in 1855 in Brussels.

Bruno Notteboom
Stad en natuur: L’Art Public 1893-1912

In 1893 werd de Belgische vereniging L’Art Public opgericht door een amalgaam van kunstenaars, schrijvers, architecten en onderwijskundigen. Ze streefde naar een artistieke en sociale harmonisatie waartoe de stad het medium zou vormen. De oppositie tussen stad en natuur nam in het discours van L’Art Public een prominente plaats in. Zo kende Camille Lemonnier in L’Art Public, het gelijknamige blad van de vereniging, het bezoek van de stadsbewoner aan de natuur een rituele en zelfs sacrale dimensie toe. Maurice Maeterlinck schreef over ‘l’immense regret de la forêt originelle au fond du coeur de l’homme.’ Het discours van L’Art Public kaderde aldus in een verhaal van verlies van een ‘natuurlijke’ levenswijze dat in de Europese cultuur van het einde van de negentiende eeuw op de voorgrond trad.

Aan de hand van een analyse van tekst en beeld schetst deze paper de inzet van de begrippen stad en natuur in L’Art Public. Het centrale argument is dat de ‘natuurcultus’ van schrijvers zoals Maeterlinck en Lemonnier gaandeweg werd ingezet in een uitgesproken normerend discours. Het begrippenpaar stad/natuur kreeg hierbij een sterke morele lading (verderfelijk/zuiver) en werd ingeschakeld in een reeks andere binaire begrippen die op dat moment ook de opkomende stedenbouwkundige discipline kenmerkten, zoals orde/chaos en regulering/ongecontroleerde groei. Heimwee naar de natuur werd aldus omgebogen naar een streven naar een zuivering van stad en land, een streven dat zich in de daaropvolgende decennia in de stedenbouw onder meer zou vertalen in het zoneringsprincipe.

Sofie Onghena
Sites van kennis en vooruitgang? De mise-en-scène van de wetenschap in Brussel, Gent en Leuven (1860-1900)

Welke rol speelde de 19de-eeuwse stad, waar de zich almaar specialiserende wetenschap in de industrialisatie en technologische innovaties alomtegenwoordig was, in de wisselwerking tussen het publiek en de wetenschap? Het is bekend dat in de 19de-eeuwse stedelijke context het publiek werd gemobiliseerd voor de verwetenschappelijking van de samenleving en dat de 19de-eeuwse stad een fundamentele rol speelde in de ontwikkeling en de verspreiding van populair-wetenschappelijke kennis. Overigens ijverden niet alleen netwerken van wetenschappers, hoogleraren en verenigingen hiervoor, maar ook stadsbesturen.

In mijn paper wordt aan de hand van casestudies van Brussel (als metropool met internationale invloeden), Gent (als industriestad) en Leuven (met de universiteit als ijkpunt) meer bepaald de mise-en-scène van wetenschappelijke kennis onderzocht. Er vond - met de stad als mediator - een versmelting plaats tussen de wetenschappelijke voorstelling en de publieke waarneming: laboratoriumapparatuur en preparaten werden tentoongesteld, proeven op spectaculaire wijze gedemonstreerd en wetenschappelijke kennis verbeeld in musea, op jaarlijkse kermissen, stadsfeesten (zoals de Gentse Feesten), optochten en (Wereld-)exposities. De publieke verbeelding van de wetenschap maakte kenbaar dat wetenschap er voor iedereen was, opgeleid of niet, voor jong en oud, man of vrouw. Er wordt onderzocht in hoeverre deze visuele representatie bijdroeg tot de bestendiging van het imago van de stad als centrum van vooruitgang en moderne kennis, in plaats van decadentie - actueel in het toenmalige discours -, en in welke mate wetenschap werd aangewend ter (inter)nationale uitstraling van de stad. In deze mise-en-scène van de wetenschap zetten ook individuen de toon (bijvoorbeeld Charles Buls in Brussel).

Edel Sheridan-Quantz
The construction and culturalisation of shops and shopping streets in advertising and children’s picture books in Germany 1880-1914

In late 19th century Germany new retailing forms were spreading rapidly, including department stores, “cities within the city”. New technology facilitated new architectural forms, radically altering historic city streets. The scale and brilliance of the new shops is reflected in the increasing use of pictorial advertising, introducing pictures to newspapers well before photographs of news events were used. Department stores also produced other pictorial advertising, including postcards and “giveaways” in the form of picture books. This paper examines the imagery used in retail advertising and picture books as a form of “text” or discourse that constructed and culturalised shops and shopping streets as new urban spaces in Germany from 1880-1914, using examples from a detailed case study of the development of Hannover city centre. From the 1890s retailing attempted to culturalise its image by using advertising that juxtaposed department stores with a city’s historic and cultural attractions. And while children’s picture books tended to be conservative in their representation of the real world and favoured the bucolic rather the urban, it has been possible to find and analyse early examples of the representation of modern shops and department stores in German and English picture books. This paper presents a wide range of contemporary visual and textual materials that have not previously been studied from this perspective, and places them in the context of the tensions inherent in the use of the city as workplace and recreational space, as expressed for instance in the writings of the early feminist Lily Braun.

Christianne Smit
‘Het is lang niet bekend genoeg …’ Verbeelding, verontwaardiging en de zoektocht naar een betere sociale orde

In Nederland is er vanaf de jaren 1870 toenemende aandacht voor de situatie in de stedelijke volksbuurten waar te nemen. De omstandigheden waarin de armere delen van de bevolking woonden, werkten en leefden stonden centraal in een veelheid aan publicaties en initiatieven, waarbij vooral de veronderstelde negatieve gevolgen van de almaar uitdijende arbeidersbuurten en overbevolking in de steden – de bedreiging van de volksgezondheid, de groei van de ontembare massa, de afkalving van de onderlinge harmonie –belicht en aangepakt werden.

De constructie van het beeld van de problemen in de arbeidersbuurten in Nederland tussen 1870 en 1900 en de wisselwerking met ondernomen initiatieven om de ellende te verminderen is onderwerp van het paper. Dat beeld werd voornamelijk geconstrueerd door publicaties over de omstandigheden in de arbeidersbuurten. Geschriften van allerlei soort – literaire, journalistieke, wetenschappelijke, sensationele, populaire geschriften, reisbeschrijvingen en egodocumenten – beschreven de situatie voor een groeiend publiek, vanuit verschillende invalshoeken en met verschillende doelen, tezamen een trend van schrik en verontwaardiging vormend. In de gepubliceerde verbeelding van de stedelijke ellende klonk afwisselend fascinatie, mededogen en morele verontrusting door, zaken die vervolgens gereflecteerd werden in de oplossingen waar sociaal hervormers en geëngageerde politici de ellende mee probeerden te keren. De verbeelding en openbaarmaking van de verstoring van de sociale stedelijke orde zorgde dus enerzijds voor de definiëring van de problematiek, maar was anderzijds richtinggevend in de zoektocht naar antwoorden.

Aangezien de situatie in de hoofdstedelijke arbeidersbuurten centraal stond in de beeldvorming, zal de focus op publicaties over en initiatieven in Amsterdam liggen. Maar omdat er in de Amsterdamse case tevens veelvuldig werd gerefereerd aan het buitenland, zal ook daar aandacht aan worden besteed. Geconcludeerd zal worden dat door de specifieke verbeelding van de achterbuurten en de moreel sterk geladen openbaarmakingen, een karakteristiek en normatief beeld van de stedelijke ellende de boventoon ging voeren, waarbij de sociale problematiek sturend omschreven werd. Tevens zal duidelijk worden dat veel van de aangedragen oplossingen voortvloeiden uit dat specifieke beeld. De zoektocht naar een betere sociale orde in het stedelijk spanningsveld werd daardoor fundamenteel bepaald door het beeld dat een verontruste en gemêleerde groep publicisten door middel van publicaties had geconstrueerd.

Nancy Stieber
Theatricality and Taxidermy: The Performance of Late Nineteenth Century Amsterdam

In 1895, the city of Amsterdam was experiencing growth as new extensions encircled its seventeenth century core, electrical and telephone lines criss-crossed its streets, and canals were filled. That year, the city attempted to draw international attention by staging a “world’s fair for hostelry and travel.” This paper explores tensions expressed through and arising from that event, which became a local opportunity to assess the city’s position poised between its prospects for a new century and its exploitation of the past. It will examine the way representations of the city both built and literally staged became conduits for expressing anxieties about the changing dynamics of the experienced city and will use that analysis to reinvestigate Huizinga’s nearly contemporaneous notion of “historic sensation” and Bann’s historiographical metaphor of “taxidermy.”

The most popular feature of the 1895 Amsterdam World’s Fair was construction of an invented town “Oud Holland.” Every opportunity was taken to create a total experience of the past, engaging all senses. In a 1895 theatrical revue about visitors to the fair, Captain Banning Cocq, who comes alive from the painting the Schuttersmaaltijd, is told to visit “Oud Holland” if he wishes to see his beloved Dam in reality. Analysis of the conflicting popular and professional reactions to “Oud Holland” reveals the many ways in which the contrast between a visceral experience of the reconstructed past, a form of urban taxidermy, and the performed experience of the changing city mapped modern attitudes toward time and urban space.

Andreas Stynen
Een nieuwe eredienst. Campagnes voor de naturalisatie van het stadsbestaan.

Romancier Camille Lemonnier bracht in 1881 met Un mâle een opmerkelijk boek uit, een tragisch liefdesverhaal tegen de achtergrond van het Brabantse Zoniënwoud. De veelgelezen roman was doordrongen van het verlangen naar zuiverheid en ongereptheid zoals kunstenaars eerst in het bos van Fontainebleau hadden ervaren en waarmee ook de prille oproepen tot landschapsbescherming uit het fin de siècle waren doordrongen. De natuur- en meer in het bijzonder bomencultus waaraan Lemonnier bijdroeg en die behalve literaire ook wetenschappelijke en spirituele dimensies had, kende echter ook in het stedelijk milieu een impact: de Belgische intellectuele elite ontdekte in dit vertoog een wapen tegen de onachtzaamheid waarmee stadsbewoners, zeker uit de lagere klasse, het openbare groen bejegenden. Er volgde een veelzijdige campagne om via een gewijzigde appreciatie de kansen van stadsnatuur te vergroten en zo de hele urbanistische ontwikkeling te naturaliseren. Tijdens ceremoniële bomenfeesten kreeg de nieuwe visie ruimtelijk vorm, terwijl intense protesten in artistieke en later meer algemene periodieken inbreuken op de integriteit van stadsgroen, aangeklaagd als arboricide, bestreden. Deze acties bleven niet zonder gevolg. Onder meer uit petities blijkt hoe stedelingen de lokale autoriteiten en zeker de groendiensten almaar sterker onder druk zetten: aanplantingen mochten niet langer als functionele en decoratieve elementen worden gezien maar waren de vertegenwoordigers van een buitenstedelijke ideaalwereld. De embryonale milieubeweging, vanuit onder meer literaire en artistieke vernieuwingen ontstaan, liet zo ook de beleving van de stad niet onberoerd. Stad en platteland werden niet enkel tegen elkaar uitgespeeld, er werd ook naar een nieuwe synthese gezocht.

Jens van de Maele
‘Ik heb sinds jaren geen buiten meer gezien’. De beleving en verbeelding van stadsnatuur in de romans van Lode Baekelmans

Romans leveren an sich geen historisch bewijzen, maar kunnen wel illustraties bieden van historische ontwikkelingen en/of afzonderlijke feiten. Het onderzoeken van romans is bijgevolg ook in een historische context zinvol, aangezien auteurs een publiek wilden bereiken, wat enkel kon als ze beelden opriepen waarbij ten minste sprake was van een met de lezer gedeelde subjectieve ervaring van de werkelijkheid. Een selectie van enkele letterkundige werken kan langs inductieve weg beelden genereren die het mogelijk maken om het bijzondere in meer algemene patronen te vertalen, en deze patronen kunnen als hypothese worden gebruikt in historisch onderzoek naar de betrokken periode, of als illustratie dienen om de resultaten van al verricht onderzoek in een ruimer kader te plaatsen.

Vertrekkend vanuit deze gedachten wil ik drie romans van de Antwerpse schrijver Lode Baekelmans (1879-1965) confronteren met binnen- en buitenlandse historiografische benaderingen over de beleving en verbeelding van stadsnatuur rond de eeuwwisseling. In mijn casus worden drie stadsromans van Baekelmans onderzocht waarin de Antwerpse stadsnatuur én het vaak als contrastbeeld fungerende landelijke natuurconcept aan bod komen. In De doolaar en de weidsche stad (1904) waagt een plattelandsjongen zich in de stad, op zoek naar werk en ontspanning. Zijn nieuwe leven als havenarbeider confronteert hem met sterke vervreemdingsgevoelens: de voornaamste ontspanningsmogelijkheid is het café, de lucht is vervuild en plantengroei is er nauwelijks. De roman Tille (1912) beschrijft de jeugd van een meisje uit het Schipperskwartier dat regelmatig met haar familie op daguitstap trekt naar de groene randgemeenten. In Mijnheer Snepvangers (1918) verhuist het hoofdpersonage van de stad naar het platteland, als uiting van opwaartse sociale mobiliteit. De trek naar ‘buiten’ – die ook een zoektocht naar ‘natuur’ is – valt echter snel tegen, waarop het gezin Snepvangers terugkeert naar de stad.

Baekelmans’ romans laten toe om een nieuw licht te werpen op verschillende vragen die al eerder het onderwerp waren van historisch onderzoek. Hoe percipieerden stedelingen de stadsnatuur en het ‘groene’ platteland, en welke rol speelden deze omgevingen in hun beroeps- en/of privéleven? Hoe beleefden plattelandsbewoners de ‘natuurarme’ stedelijke ruimte, en hoe ervoeren ze het contrast tussen stad en platteland? Om te achterhalen in hoeverre Baekelmans’ teksten door tijdgenoten als vernieuwend of afwijkend werden beschouwd, zal ik ook kort aandacht schenken aan de receptie van de besproken romans.

Christophe Van Gerrewey
Comme chez soi. Joris-Karl Huysmans leaves Paris for Holland

The French writer Joris-Karl Huysmans is best known for his novel A rebours, published in 1884, in which the only character, Des Esseintes, locks himself up inside of his immensely refined mansion, at a safe distance from Paris. Subsequently, in his Croquis parisiens from 1886 – which are quoted extensively in Benjamin’s Passadenwerk – he criticizes Parisian city life. Huymans is an anti-modernist urban critic for whom a conversion to catholicism seemed the only way out of the decay and decadence of modern life.

Two texts, however, can be put as a fork on this evident schism between progress and conservatism. In 1876 Huysmans visits his uncle in Tilburg – he writes the travel report ‘En Hollande’ in 1877. In 1886 and 1887, however, Huysmans rewrites the piece completely, and republishes it in La revue illustrée. Striking in this double text, is the difference that is noted between French and Dutch city life. In short: in Holland, people inhabit the public domain of the city as if they were at home – ‘comme chez soi’. For Huysmans, there appears to be no difference between the private or public composure of the Dutch people. Even in cafés in Amsterdam, the atmosphere is quiet, dark, and ‘private’.

In a contribution, I would like to examine two paradoxical questions. How ‘necessary’ is the strict divide between public and private for an ‘ideal’ character like Des Esseintes? And does, in this case, one not always end up as a ‘city tourist’ – like Huysmans in Holland or Des Esseintes in his own Paris?

Joris Vandendriessche
Een medisch discours over de stad. Antwerpen door de ogen van de arts, 1850-1890.

Vanaf de jaren 1850 participeerden Belgische artsen steeds meer aan de debatten over de levensomstandigheden in de grootsteden. Zij ontwikkelden daarbij een eigen vocabularium om de stad te beschrijven en te analyseren. Zo kende het genre van de medische topografie, waarin de impact van de veranderende stadsomgeving op de gezondheid van de stedelingen werd onderzocht, een opmars in de stedelijke medische genootschappen. In deze bijdrage staat de ontwikkeling en opbouw van een medisch discours over de stad Antwerpen centraal. Op basis van de publicaties van het Antwerps medisch genootschap wordt de groeiende populariteit van de topografische methode, die ook in rapporten van epidemieën werd gebruikt, onderzocht. Ook wordt aangetoond hoe die methode toeliet verschillende aspecten van het stedelijke leven, van stadssanering tot dagelijkse hygiëne, in een breder verhaal te plaatsen en zo als een geheel te behandelen. In de bespreking van de gevaren van het stedelijk leven had het Antwerpse discours vaak een kritische toon. Zo kwam het liberale model van een vrije en dynamische interactie tussen individuen in de stedelijke omgeving vanuit medisch-epidemiologisch perspectief onder vuur. Verschillende Antwerpse artsen pleitten daarbij voor meer regulering en engageerden zich in links-liberale en socialistische milieus. Zeker vanaf de jaren 1870 en 1880 drongen medisch-topografische concepten over de stad, bijvoorbeeld over de ‘ongezonde volkswijken’, steeds vaker door tot de politieke debatten over stadsplanning en sociale problemen in de Antwerpse gemeenteraad. In de late negentiende eeuw werd zo het medisch vocabularium opgenomen in de terminologie van de grootstad.

Evert Vandeweghe
De omgang met het historisch stadsbeeld van Veurne, Oudenaarde, Dendermonde en Aalst in de literatuur (1830-1930)

Deze paper is deel van een ruimer onderzoek naar de veranderende aandacht voor het historische stadsbeeld gedurende de 19de en 20ste eeuw en de weerslag hiervan op de architecturale realiteit van vier Vlaamse provinciesteden. Naast voor de hand liggende actoren zoals architecten en politici, speelden ook schrijvers hierin een belangrijke rol. Figuren als Victor Hugo en Prudens Van Duyse bewogen zich op de scheidingslijn van literatuur en (architectuur)geschiedenis en waren bij de eersten om de pittoreske schoonheid van bepaalde monumenten te waarderen. Daarenboven (h)erkenden schrijvers vrij snel de geografische en chronologische complexiteit van het historische stadsweefsel, met aandacht voor zowel de lange bouwgeschiedenis van monumenten en steden als het belang van architectura minor en landschappelijke elementen.

Naast voor de hand liggende werken zoals Georges Rodenbach’s Le Carilloneur (1897) en Camille Lemonnier’s Le petit homme de Dieu (1903), komen in dit onderzoek ook minder bekende werken aan bod. Van Emile Verhaeren bijvoorbeeld wordt niet zozeer Les villes tentaculaires (1895) behandeld als wel zijn Toute la Flandre. 2: Les héros, les villes à pignons (1904-1911). Tenslotte wordt ook het oeuvre van enkele totaal vergeten schrijvers belicht zoals dat van de Oudenaardse Anna Germonprez. Deze publicaties geven ons niet enkel een kijk op de complexe relatie tussen historisch stadsbeeld en moderniteit, ze onthullen ook de diverse betekenissen die aan dit historische stadsbeeld werden toegekend, gaande van katholiek (bij Henri Davignon) over Belgisch nationalistisch (bij Joseph Ronsse), en Vlaamsgezind (bij Herman Teirlinck, Hugo Verriest en Omer Wattez) tot sociaal bewogen (bij Anna Germonprez). Tenslotte beïnvloedde deze literatuur ook de gebouwde realiteit, niet alleen omdat de reële stad soms fungeerde als decor voor de opvoering van bepaalde stukken, maar ook omdat schrijvers zich mengden in het debat over het behoud van dit bestaande historische stadsbeeld.

Sofie Verraest
Stedelijke toekomstvisies in de late negentiende en vroege twintigste eeuw – Rodenbach, Streuvels en de Internationale Stijl

In de periode van 1880 tot 1930 ontplooit zich in de architectuurgeschiedenis een opvatting waarin de Droom van een Nieuwe Wereld meer dan ooit voorop staat en die uiteindelijk zijn neerslag zou krijgen in de Internationale Stijl, het architecturale modernisme. Tegen die achtergrond neem ik twee Belgische romans onder de loep die stadsontwerp centraal stellen, met name G. Rodenbachs De beiaardier (1897) en S. Streuvels’ De teleurgang van den Waterhoek (1927).

Het beschouwde tijdperk wordt in de architectuurgeschiedenis veelal beschouwd als een radicaal vernieuwingsgezinde periode. De toekomstvisies die urbanisten rond die tijd bewogen, zouden een drastische breuk met het verleden betekenen. Het is mijn bedoeling om het onvoorwaardelijk moderne karakter van zulke toekomstbeelden in vraag te stellen. Op interdisciplinaire wijze wil ik daartoe urbanistische teksten van Le Corbusier confronteren met de visies op stedelijke vernieuwing die in bovenvermelde romans aan bod komen.

Specifiek ga ik na of (1) er in deze hoegenaamd ‘in-moderne’ periode ook denkvormen aan bod komen die niet toekomst- en veranderingsgericht zijn, en (2) of benaderingen die zich als modern definiëren ook uitsluitend aan vernieuwingsdrang ontspringen. Worden toekomstprojecties voor de gebouwde omgeving net zozeer door fin-de-sièclemelancholie als door het vooruitgangsoptimisme beïnvloed? Hoe vinden we planlustige vernieuwing en rationele regulering naast regressieve noties van de organische gemeenschap en verheven schoonheid terug?

Via de beschouwing van stedelijke toekomstbeelden in fictie en non-fictie hoop ik zicht te bieden op het doorleven van een aantal traditionele denkpatronen in het moderne tijdperk. De vernieuwingsdrang die we bij Le Corbusier en bij personages als Farazyn (De beiaardier) en Sieper (De teleurgang) terugvinden, blijkt gepaard te gaan met de regressieve projectie van een soort van aloude mythische heilstoestand. Bovendien treffen we ook behoudsgezinde visies aan (Borluut in De beiaardier en Broeke in De teleurgang) die in de toekomst alleen een terugkeer naar het verleden willen zien.